Vestiging van een vruchtgebruik, erfpacht of opstal en al dan niet belastbaarheid bij kosteloze verkrijging: fiscale aspecten - E-SEMINARIE

Dit seminarie maakt deel uit van het drieluik: 

Inschrijven op het drieluik kan tegen 400 euro.

In het kader van een algemene vermogensplanning wordt regelmatig de afzonderlijke verwerving van blote eigendom en vruchtgebruik van een onroerend goed overwogen, of via opstal en in mindere mate via erfpacht. Ouders kunnen het vruchtgebruik kopen van een gebouw waarvan de kinderen de blote eigendom verwerven. Een vennootschap kan het vruchtgebruik aanschaffen van een gebouw, terwijl de bedrijfsleider of een aandeelhouder naakte eigenaar wordt. Op deze wijze wordt de kost van de investering voor de bedrijfsleider/vennoot gedrukt omdat de vennootschap haar eigen kapitaal aanwendt voor de aankoop van het vruchtgebruik. Een bijkomend voordeel is dat de vennootschap een jaarlijkse afschrijving mag boeken op de aanschaffingswaarde van het vruchtgebruik en dat deze al de kosten die verbonden zijn aan dat vruchtgebruik kan aftrekken als beroepskosten. Belangrijk hier is de finaliteitsvoorwaarde van artikel 49 WIB92 na te leven. Omdat het vruchtgebruik op het einde van het contract, of soms zelfs vroeger, kosteloos en automatisch aanwast bij de blote eigendom, krijgt de vruchtgebruikconstructie namelijk bijzondere aandacht van de fiscus. Dit zal zeker nog meer het geval zijn nu in Boek 3 Burgerlijk Wetboek voor alle tijdelijke zakelijke genotsrechten is voorzien in het mechanisme van “ongerechtvaardigde verrijking”.

Een juiste waardering van het vruchtgebruik is daarom van uitermate groot belang. Tot voor kort stelde die waardering geen problemen, omdat de formule Janssens-Ruysseveldt door alle betrokken partijen werd aanvaard. Midden 2016 heeft de rulingcommissie op haar website een rulingmodel inzake vruchtgebruikconstructies gepubliceerd waarin zij laat weten hoe het vruchtgebruik voortaan moet gewaardeerd worden. Welke formules zijn courant om een vruchtgebruik te waarderen? Welke formule stelt de fiscale administratie voor? Hoe controleert zij dit? 

Meer en meer worden deze “constructies” door de administratie bekritiseerd, zowel bij de houder van het recht als de genieter ervan. Daardoor ontstaat de noodzaak te anticiperen en met aanvaardbare oplossingen te komen. Remediëren is immers beter dan genezen. Een te bewandelen piste kan erin bestaan, de duurtijd van het recht te wijzigen, door het vervroegd te laten beëindigen, te verlengen of te vernieuwen. 

Soms krijgen bedrijfsleiders een onroerend goed, waarvan zij de blote eigenaar zijn, gratis ter beschikking als onderdeel van hun bezoldigingspolitiek. Geregeld verwerpt de fiscale administratie de kosten inzake het vruchtgebruik bij de vennootschap omdat er niet voldoende kan worden aangetoond dat er voldaan is aan de finaliteitsvoorwaarden van artikel 49 WIB92. Uit de praktijk blijkt dat de belastingplichtige zich hiertegen probeert te verdedigen door zich te beroepen op de bezoldigingstheorie, waarbij wordt geopperd dat als een bedrijfsleidersbezoldiging aftrekbaar is ook de kosten m.b.t. een bezoldiging in natura aftrekbaar zijn. Wat is de visie van fiscus? Hoe evolueert de rechtspraak? Vormt de inschrijving van dergelijke vergoedingen in de notulen van de vennootschap een beschermmiddel tegen de fiscus? Op welke andere manieren kan een onderneming zich nog indekken tegen de negatieve bril van de fiscale administratie? 

Het seminarie zal uiteraard ook grondig ingaan op de haalbaarheid van nieuwe constructies waarbij gebruik wordt gemaakt van vruchtgebruik, erfpacht en opstal. De focus van dit seminarie ligt op de fiscale aspecten van de vestiging, tijdens de duur en op het einde van een recht van vruchtgebruik, opstal en erfpacht. Dit zowel in hoofde van de vennootschaps- als personenbelasting. Daarbij komen o.a. volgende vragen aan bod: 

  • Welk bedrijfsvastgoed komt in aanmerking (kantoren, loodsen, woningen, …)? 
  • Welke elementen spelen bij de waardering een belangrijke rol? 
  • Hoe zit het met grove herstellingswerken, wie moet die ten laste nemen? Hoe moet de nieuwe regeling die is voorzien in artikel 3.154, § 3 BW in de praktijk worden geïmplementeerd? Kan het bestaan van een stilzwijgende overeenkomst tussen de vruchtgebruiker en blote eigenaar worden bewezen door de uitvoering ervan? 
  • Sluit het bestaan van een overeenkomst waarin de vruchtgebruiker en de blote eigenaar afwijken van de wettelijke regeling, een voordeel van alle aard voor de blote eigenaar uit? Op welk ogenblik wordt het voordeel in dat geval toegekend? Op het ogenblik van het sluiten van de overeenkomst of op het moment van de beëindiging van het vruchtgebruik of de opstal?
  • Op welk ogenblik verkrijgt de blote eigenaar een voordeel van alle aard indien de vruchtgebruiker de grove herstellingswerken ten laste heeft genomen? 
  • Is een gesplitste aankoop van een onroerend goed door een bedrijfsleider en een vennootschap (die niet noodzakelijk “zijn” vennootschap is) altijd verdacht? 
  • Waarop moeten belastingplichtigen in dit verband letten als ze fiscaal correct willen (en moeten) handelen ? 
  • Levert de meerwaarde op het einde van het vruchtgebruik een belastbaar inkomen op voor de belastingplichtige? 
  • Wat zijn de fiscale gevolgen bij een wijziging van de duurtijd? 
  • Hoe staan de administratie en de Rulingcommissie tegenover vruchtgebruikconstructies? 
  • Wat als de woning in het buitenland gelegen is? 

In dit seminarie wordt onderzocht wat de voordelen, nadelen of risico’s van zakelijke genotsrechten zijn. Vanzelfsprekend zal er ruim voldoende aandacht worden besteed aan recente ontwikkelingen, zoals de implicaties van de nieuwste antimisbruikbepalingen. De verantwoording van de opgezette constructie mag immers niet zuiver fiscaal geïnspireerd zijn, dat wil zeggen dat de niet-fiscale gevolgen de bovenhand moeten hebben. En ook het eigen economisch belang van de vennootschap komt meer op de voorgrond.

Het spreekt voor zich dat u een grondige en kritische analyse krijgt van de belangrijkste ontwikkelingen zowel op het vlak van de rechtspraak, rechtsleer als voorafgaande beslissingen
 

Advocaat-vennoot De Broeck Van Laere & Partners, Prof. FHS
Prijs:
€ 195

Het seminarie duurt 3.5 uur

Inschrijven op het drieluik (21/156) kan tegen 400 euro.

Iedere deelnemer ontvangt na het beantwoorden van de aanwezigheidsvragen en de afsluitende toets, zowel bij een real time- als een on-demand-seminarie, een attest erkend door de volgende instituten:

  • het ITAA (categorie A);
  • het I.B.R.;
  • het BIV;
  • de Vlaamse Balies;
  • de Nationale Kamer van Notarissen. 
do 25/11/2021 | 13:30 - 17:00

Real time

Een realtimeseminarie wordt op een vooraf bepaalde dag en op een vaststaand tijdstip gegeven. Je kan rechtstreeks en interactief deelnemen. 

ma 29/11/2021 | Heel de dag

On demand

Een on-demand-seminarie is een opname van een seminarie. De deelnemer kan deze opname bekijken op een door hem/haar zelfgekozen tijdstip. 

OG 1