logo
Home » Aanbod » Seminaries » Uitkering van de liquidatiereserve: het is eindelijk 2020. Bijna 3 miljard euro uit te keren! - LAAKDAL
afdrukken PDF genereren
Afgelopen

Blijf op de hoogte
over nieuwe data:
seminaries@odisee.be

Geen soortgelijke opleidingen gevonden

reageer Stel hier nu al uw vraag aan de spreker

X
 
 

Uitkering van de liquidatiereserve: het is eindelijk 2020. Bijna 3 miljard euro uit te keren! - LAAKDAL (20/15 L)

Onder de regering Di Rupo steeg het algemeen tarief van de roerende voorheffing op liquidatieboni  van 10 % naar 25 % (ondertussen 30 %).  De wetgever stelde evenwel een tijdelijke overgangsmaatregel in, waardoor vennootschappen de mogelijkheid verkregen om de in het verleden opgebouwde reserves “vast te klikken” in kapitaal.  Daarvoor moest 10 % roerende voorheffing onmiddellijk betaald worden, maar in ruil konden die kapitalen bij een latere liquidatie belastingvrij worden uitgekeerd, zodat men netto 15 % belasting uitspaarde (nu zelfs 20 %).

Via de Programmawet van 19 december 2014 werd beslist om deze overgangsmaatregel (weliswaar in gewijzigde vorm) permanent te maken, zij het dat de nieuwe maatregel enkel voorbehouden was voor KMO-vennootschappen in de zin van art. 15 W. Venn. of het nieuwe art. 1:24 WVV. Zodoende kon de liquidatiereserve voor de eerste maal aangelegd worden tijdens het aanslagjaar 2015. Het voordeel van deze maatregel is dat de uitkering van een dividend een aanzienlijk gunstiger tarief kan genieten, nl.

- uitkering bij liquidatie: 0 % RV na 10 % RV bij aanleggen van de reserve = 10 %
- uitkering binnen de 5 jaar: 15 % RV na 10 % RV bij aanleggen van de reserve = 25 %
- uitkering na 5 jaar: 5 % RV na 10 % RV bij aanleggen van de reserve = 15 %

Maar de werkelijke fiscale druk ligt nog lager !!!
De berekening van de houdbaarheidstermijn van 5 jaar wordt berekend vanaf het einde van het boekjaar waarin de liquidatiereserve werd aangelegd. Concreet betekent dit voor aanslagjaar 2015 dat de 5-jarige termijn verstrijkt op 31.12.2019.  Daar de roerende voorheffing wordt berekend op de netto-liquidatiereserve, ligt de werkelijke belastingdruk dus lager dan 15 %, nl. 13,64 %. Wat een kostenbesparend effect heeft van 16,36 % t.a.v. het normaal tarief van 30 % RV.

Tijdens dit seminarie wordt dieper ingegaan op de uitkeringsmodaliteiten van de aangelegde liquidatiereserves, zowel aangelegd bij een vast-klik-operatie als de gewone met ingang van in aanslagjaar 2015 en de bijzondere liquidatiereserves. 
- Kan ik eigenlijk op de algemene vergadering van mei 2020 eigenlijk al een liquidatiereserve uitkeren als ik dit boekhoudkundig moet boeken op 31 december 2019, terwijl ik de reserve eigenlijk 5 jaar moet behouden?
- Wat zijn alle voorwaarden (formulieren, boekingen, aangiften enz…) die moesten en moeten vervuld zijn? 
- Wat indien een deel van de aangelegde liquidatiereserve werd geïncorporeerd in het kapitaal? 
- Wat bij een herstructurering zoals een fusie, een splitsing? 
- Speelt de wijziging van het Wetboek van Vennootschappen hier ook rol in en/of biedt die aandachtspunten dan wel bijkomende voordelen? 
- Kan ik een combinatie maken met het VVPRbis-systeem en welk geld kan ik voor deze laatste gebruiken? 
- Kan ik vereffenen en alles al uitkeren ongeacht de termijn? 
- Moet ik bij een toekenning van een liquidatiereserve wel ‘echt’ uitkeren?

Deze en tal van andere situaties komen aan bod tijdens deze uiteenzetting.

 

Spreker

Carl Van Biervliet
Vennoot-Accountant-Belastingconsulent Vandelanotte, Prof. FHS, Gastdocent EMS en KU Leuven