logo
Home » Aanbod » Seminaries » Onroerend goed en de vestiging van zakelijke rechten - BRUSSEL 2
afdrukken PDF genereren
Afgelopen

Blijf op de hoogte
over nieuwe data:
seminaries@odisee.be

Geen soortgelijke opleidingen gevonden

reageer Stel hier nu al uw vraag aan de spreker

X
 
 

Onroerend goed en de vestiging van zakelijke rechten - BRUSSEL 2 (18/52 2)

Regelmatig wordt er op grond van diverse zakelijke redenen (financiering, geen druk van volle eigendom op vast actief, ...) gebruik gemaakt van een vruchtgebruikconstructie bij het aankopen van onroerende goederen. Hierbij wordt de blote eigendom verworven door de bedrijfsleider/vennoot en gaat het vruchtgebruik naar zijn vennootschap. Op deze wijze wordt de kost van de investering voor de bedrijfsleider/vennoot gedrukt omdat de vennootschap haar eigen kapitaal aanwendt voor de aankoop van het vruchtgebruik. Een bijkomend voordeel is dat de vennootschap een jaarlijkse afschrijving mag boeken op de aanschaffingswaarde van het vruchtgebruik en dat deze al de kosten die verbonden zijn aan dat vruchtgebruik kan aftrekken als beroepskosten. Omdat het vruchtgebruik op het einde van het contract, of soms zelfs vroeger, kosteloos en automatisch aanwast bij de blote eigendom, krijgt de vruchtgebruikconstructie bijzondere aandacht van de fiscus.

De juiste waardering van het vruchtgebruik is van uitermate groot belang. Tot voor kort stelde die waardering geen problemen, omdat de formule Janssens-Ruysseveldt door alle betrokken partijen werd aanvaard. Midden 2016 heeft de rulingcommissie op haar website een rulingmodel inzake vruchtgebruikconstructies gepubliceerd waarin zij laat weten hoe het vruchtgebruik voortaan moet gewaardeerd worden. Welke formules zijn courant om een vruchtgebruik te waarderen? Welke formule stelt de fiscale administratie voor? Hoe controleert zij dit?

Het seminarie zal uiteraard ook grondig ingaan op de haalbaarheid vandaag van nieuwe constructies waarbij gebruik wordt gemaakt van vruchtgebruik, erfpacht en opstal. Is een gesplitste aankoop van een onroerend goed door een bedrijfsleider en een vennootschap (die niet noodzakelijk “zijn” vennootschap is) altijd verdacht? Waarop moeten belastingplichtigen in dit verband letten als ze fiscaal correct willen (en moeten) handelen ? Levert de meerwaarde op het einde van het vruchtgebruik een belastbaar inkomen op voor de belastingplichtige? Welke elementen spelen bij de waardering een belangrijke rol? Welk bedrijfsvastgoed komt in aanmerking (kantoren, loodsen, woningen, …)? Wat bij eventuele vroegtijdige beëindiging/ verlenging van het vruchtgebruik?

Spreker

Philippe Salens
Senior Counsel EY Tax Consultants