logo
Home » Aanbod » Seminaries » De mobiliteitsvergoeding (cash-for-car) en het mobiliteitsbudget in combinatie met de mogelijkheden van het woon-werkverkeer - GENT
afdrukken PDF genereren
Afgelopen

Blijf op de hoogte
over nieuwe data:
seminaries@odisee.be

Geen soortgelijke opleidingen gevonden

reageer Stel hier nu al uw vraag aan de spreker

X
 
 

De mobiliteitsvergoeding (cash-for-car) en het mobiliteitsbudget in combinatie met de mogelijkheden van het woon-werkverkeer - GENT (18/172 G)

In een poging om het gebruik van bedrijfswagens terug te dringen, heeft de wetgever recentelijk twee initiatieven genomen. Het eerste betreft de invoering van een mobiliteitsbudget waarbij werknemers kunnen kiezen uit een combinatie van verschillende transportmiddelen (auto, fiets, openbaar vervoer, deelauto, enz.) met als doel hen op de makkelijkste manier hun vaste plaats van tewerkstelling te laten bereiken. Het tweede initiatief, waarvan de wettelijke bepalingen reeds zijn gepubliceerd, betreft de invoering van de mogelijkheid om een mobiliteitsvergoeding toe te kennen aan werknemers die hun bedrijfswagen inleveren.

Dit seminarie analyseert ten gronde de Wet van 30 maart 2018 betreffende de invoering van een mobiliteitsvergoeding (BS 07.05.2018). De nieuwe regeling treedt met terugwerkende kracht in werking vanaf 1 januari 2018. Opvallend is dat de wetgever t.a.v. de mobiliteitsvergoeding grotendeels dezelfde regels hanteert als t.a.v. de bedrijfswagens die in ruil voor de vergoeding worden ingeleverd. In het seminarie komen deze regels uitgebreid aan bod.

Volgende vragen krijgen een antwoord:

- Op welke personen is de nieuwe regelgeving van toepassing? En welke bedrijfswagens zijn bedoeld?

Bij wie ligt het initiatief om een mobiliteitsvergoeding in te voeren en wie legt devoorwaarden vast?

- Aan welke voorwaarden moet de werknemer voldoen om van de mobiliteitsvergoeding te kunnen genieten?

- Wat als een werknemer over meerdere bedrijfswagens beschikt? Mag hij dan kiezen welke wagen hij inruilt voor een mobiliteitsvergoeding? Mag hij ze allemaal inruilen of beslist de werkgever?

- Wat als een deel van het loon van de werknemer destijds is omgezet in een bedrijfswagen, waarbij deze bedrijfswagen dus mee gefinancierd werd via “ingeleverd brutoloon”? Kan een dergelijke bedrijfswagen ook ingeruild worden voor een mobiliteitsvergoeding?

- Welke andere voordelen verliest een werknemer die het voordeel van demobiliteitsvergoeding geniet? Kan hij bepaalde vrijstellingen toch behouden of combineren?

- Wanneer vervalt het voordeel van de mobiliteitsvergoeding?

- Hoeveel bedraagt de mobiliteitsvergoeding en hoe wordt ze fiscaal en sociaal behandeld? Wat met de solidariteitsbijdrage die de werkgever verschuldigd is?

- Maakt het een verschil of de werknemer de brandstofkosten van de ingeruilde bedrijfswagen ten laste nam? En wat als hij voor de in te leveren bedrijfswagen een eigen bijdrage betaalde? Mag het belastbaar gedeelte van de mobiliteitsvergoeding dan verminderd worden?

- Wat als de werkgever aan de vennootschapsbelasting onderworpen is? Onder welke omstandigheden geldt de aftrekbeperking onmiddellijk dan wel op termijn?

- Op welke manier kan een werknemer met mobiliteitsvergoeding die zijn eigen wagen gebruikt voor zijn woon-werkverkeer, zijn autokosten forfaitair in aftrek brengen?

Daarnaast komt de bijgewerkte administratieve commentaar op het bijzonder kostenforfait van art. 66bis WIB92 aan bod. De nieuwe commentaar houdt ook rekening met de specifieke regeling voor het woon-werkverkeer per fiets die met ingang van aanslagjaar 2010 aan de wettekst werd toegevoegd.

In de eerste plaats wordt nagegaan wat precies onder woon-werkverkeer wordt verstaan en meer in het bijzonder, wanneer er sprake is van een vaste plaats van tewerkstelling. Deze vraag stelt zich bijzonder scherp wanneer een werknemer of bedrijfsleider van thuis uit vertrekt voor bezoeken aan steeds wisselende bestemmingen. Wanneer is er sprake van woon-werkverkeer en wanneer moet het afgelegde traject daarentegen als een dienstreis gecatalogeerd worden? Wat zijn, zowel voor werknemer als voor werkgever, de gevolgen? Kan men nog voortgaan op de administratieve 40 dagen-regel, nu recente rechtspraak deze regel heeft opzijgeschoven ten gunste van een beoordeling op basis van feitelijke en juridische omstandigheden? Is de plaats van waaruit de verplaatsingen aanvangen van belang? En wat als een bedrijfsleider zich met zijn bedrijfswagen verplaatst tussen de maatschappelijke zetel van de vennootschap (tevens zijn woonplaats) en een andere (al dan niet vaste) plaats van tewerkstelling? Gaat het dan om woon-werkverkeer of om een zuivere beroepsverplaatsing?

Vervolgens wordt het vraagstuk van de kosten verbonden aan het woon-werkverkeer ontrafeld. Een onderscheid wordt daarbij gemaakt al naargelang de werknemer of bedrijfsleider voor dit woon-werkverkeer gebruik maakt van zijn eigen wagen of het woon-werkverkeer op een andere wijze aflegt. Wat als hij gebruik maakt van een fiets, een mountainbike, een segway of skeeler? Welke combinaties van kostenforfaits (in het kader van werkelijke kostenaftrek) worden administratief toegestaan en welke zijn uitgesloten? In welke gevallen wordt de in aanmerking te nemen afstand tussen de woonplaats en de werkplaats beperkt tot 100 km (enkele rit)? Op welk onderdeel van het woon-werkverkeer is deze maximumgrens van toepassing? Wat gebeurt er bij overschrijding van de 100 km-grens waarbij de werknemer verschillende vervoerswijzen combineert? Welke kilometers worden eerst in aanmerking genomen, welke worden beperkt?

Dit seminarie is praktijkgericht waarbij de theorie wordt aangevuld met talrijke voorbeelden en toepassingsgevallen

Spreker

Filip Vandenberghe
Adviseur FOD Financiën, Gastdocent FHS